vandaag43
gisteren253
deze week908
deze maand3922

Momenteel zijn 21 gasten en geen leden online

Deze site wordt u aangeboden door

Logo KH

Veen en Ontvening

Tussen 800 en 900 na Chr. begon men met het ontginnen van de uitgestrekte veengebieden in het noorden, vanuit de kuststreek en vanaf de oeverwallen langs de rivieren. Veenontginning betekende ontwateren en dat kon alleen als het gezamenlijk werd aangepakt. Soms kwam het initiatief vanuit een dorp in de omgeving, soms vanuit een klooster, en in latere eeuwen was de landheer, bijvoorbeeld de graaf of bisschop vaak de initiatiefnemer.
veenpolderDe ontwatering van het veen gebeurde in het begin vooral door het graven van sloten naar een afwateringskanaal. Omdat het veen hoger lag dan het kanaal stroomde het water vanzelf weg. De graaf of andere overheid stelde doorgaans regels voor de breedte van de percelen. Het kanaal werd vaak uitgebaggerd en verbreed. Dat was nodig voor de uitwatering en de bagger was goed voor de bodemvruchtbaarheid. De veenontginningen droegen bij aan een spectaculaire bevolkingsgroei: van 150.000 inwoners in 800 tot bijna een miljoen omstreeks 1250 na Chr.

Daling maaiveld
De veenontginningen leidden tot een flinke daling van het maaiveld. Wanneer veengrond ontwaterd wordt klinkt de grond in. Nog belangrijker is de oxydatie van het veen. Wanneer door de ontwatering zuurstof in de grond komt, zorgen micro-organismen voor afbraak van de plantenresten in het veen. Hier komt CO2 bij vrij. Op veel plaatsen daalde het maaiveld in enkele eeuwen 1 tot 4 meter.
Daarnaast ging veengrond verloren vanwege de  brandstofwinning (turf). Door de (natte) turfwinning ontstonden petgaten waar de turf werd uitgestoken en legakkers waarop de natte turf te drogen werd gelegd. Dat patroon is goed te zien in delen van de Hollandse en Utrechtse veenplassen. Door wind en golfslag zijn veel legakkers verdwenen en ontstonden uitgestrekte plassen (Loosdrechtse en Vinkeveense plassen).

De eerste waterscveenhappen
Tegelijk met de daling van het maaiveld steeg in de periode 800-1250 de zeespiegel en werd de rivierafvoer onregelmatiger, mede doordat het waterbergend vermogen van de rivieren door ontginningen bovenstrooms verminderde.  Dit gaf problemen bij de waterhuishouding. Het water stroomde niet meer vanzelf af en er traden overstromingen op. Vooral in het zuidwestelijke deltagebied en in het noorden ging veel land verloren. Zo ontstond rond 1250 de Zuiderzee.
Er waren maatregelen nodig. Zo werden afwateringkanalen gegraven, spuisluisjes gebouwd en dijken opgeworpen. Om kosten en inspanningen eerlijk te verdelen was organisatie nodig. In het begin werd dit door het dorpsbestuur geregeld, maar toen de maatregelen grootschaliger werden ontstonden de eerste waterschappen.

Dijken en molens
Rond 1250 waren alle overblijvende landbouwgebieden omringd door dijken, dijkjes of kaden. Een voorbeeld is de Westfriese Omringdijk die omstreeks dat jaar gereed was. Deze beschermde tegen de Noordzee in het Westen, de Zuiderzee in het noorden en oosten en de grote meren als de Schermer in het zuiden.
Toen het door de voortdurende bodemdaling steeds moeilijker werd het water via spuisluizen te lozen, werden kort na 1400 de eerste windwatermolens gebouwd. Deze vernieuwing verspreidde zich snel en rond 1500 waren ze overal te vinden. De hoge kosten van de nieuwe techniek  maakten een betere organisatie  nodig. Zo ontstonden polders, afwateringseenheden die gezamenlijk de kosten droegen.
Al vanaf de middeleeuwen exporteert Nederland haar waterstaatkundige kennis: zo ontgonnen Hollanders al in de 12e eeuw grote gebieden langs de Elbe en later langs de Oostzee.