Stroomgebieden

Stroomgebieden
Het operationele waterbeheer vindt vooral plaats op het niveau van (deel)stroomgebieden. Een stroomgebied is een gebied waarbinnen al het overtollige oppervlaktewater naar hetzelfde waterafvoersysteem (zoals een rivier) stroomt.alt Nederland is verdeeld in 4 stroomgebieden; de Maas, Schelde, Rijn en Eems. Een stroomgebied kan grensoverschrijdend zijn, verschillende landen kunnen dus tot één stroomgebied behoren. In het geval van de Rijn zijn dat bijvoorbeeld Zwitserland, Duitsland en Nederland. Omdat het beheer bovenstrooms een direct gevolg heeft voor de aanvoer en kwaliteit van het water benedenstrooms worden, waar mogelijk, (internationale) afspraken gemaakt. Nederland heeft een groot belang bij duidelijke afspraken vanwege haar benedenstroomse ligging in een delta. Het uitgangspunt van het Nederlandse waterbeheer is om onafhankelijk te zijn. Alle water(overlast)problemen van nu en de toekomst wil Nederland zelfstandig kunnen oplossen.

Plannen die voortkomen uit Europese richtlijnen, zoals de Kaderrichtlijn Water (KRW) en de Richtlijn OverstromingsRisico's, schrijven een aanpak per stroomgebied voor. Nederland ligt in de internationale stroomgebieden (Delta)Rijn, Maas, Schelde en (Neder)Eems. Rijn is verreweg het grootste stroomgebied in Nederland, dit is verdeeld in 4 deelstroomgebieden. Voor de KRW zijn inmiddels 4 stroomgebiedbeheerplannen opgesteld. De eindverantwoordelijke is de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat, bij het opstellen van de plannen is nauw samengewerkt met provincies, gemeenten en waterschappen. De eerste planperiode loopt van 2009 tot 2015. Op de krw-site staan de ontwerp-plannen per stroomgebied.StroomgebiedenDe stroomgebiedaanpak sluit goed aan bij het Nederlands waterbeleid.

Ook voor WB21 zijn stroomgebiedvisies opgesteld. Uiteindelijk zijn er 17 deelstroomgebiedsvises tot stand gekomen in de periode 2002-2004. Hierin staat bijvoorbeeld aangegeven waar ruimte is om waterbergingsgebieden in te richten, en welke praktische maatregelen men van plan is, zoals het herstel van beken. Uitgangspunt van deze visies is het voorkomen van afwenteling van waterkwaliteits- en kwantiteitsproblemen van het ene gebied op het andere.

Integraal waterbeleid
In een aantal delen van Nederland is vanaf het begin een integrale aanpak gevolgd bij het opstellen van de watervisies en stroomgebiedbeheerplannen. Waterkwaliteit en -kwantiteit zijn uiteindelijk nauw met elkaar verbonden. Integraal waterbeleid is al sinds de 3e nota Waterhuishouding een veel gehoord begrip: echte integrale uitvoering is nog niet altijd even vanzelfsprekend als je wellicht zou verwachten. Ook de afstemming met andere beleidsvelden (zoals ruimtelijke ontwikkeling) heeft slechts langzaam vaste vorm gekregen. Gelukkig zijn er steeds meer goede voorbeelden waar dat wel lukt. Invoering en wettelijke verankering van de watertoets is daarbij een belangrijk instrument gebleken.

Polders en boezems
Nederland telt honderden polders en boezems. Elke regendruppel die in de polders valt, moet van laag naar hoog worden afgevoerd. Alle sloten zijn daarom aangesloten op een gemaal dat het water uitmaalt naar de boezem en uiteindelijk naar zee. Hoeveel water er per gebied moet worden weggepompt (of in tijden van droogte moet worden ingelaten) hangt af van het peilbesluit. Het gewenste peil in polders verschilt per seizoen. Een (ontwerp)peilbesluit wordt vastgesteld door de waterschappen en moet na een inspraakprocedure goedgekeurd worden door de Gedeputeerde Staten. Als dit gebeurd is staat het nieuwe peilbesluit officieel vast. In provinciale verordeningen staat wanneer er voor een bepaald oppervlaktewater een nieuw peilbesluit moet worden vastgesteld.
Bij het opstellen van watergebiedsplannen houden de waterschappen steeds meer rekening met de verschillende belangen uit de polder. Gebruikers vanuit landbouw, natuur en stedelijke gebieden hebben uiteenlopende belangen als het gaat om grondwaterpeil (zware tractoren hebben droog land nodig, de natuur verdroogt bij laag waterpeil, kruipruimtes worden vochtig bij hoger peil, enzovoort).
In toenemende mate worden burgers en agrariërs betrokken bij het opstellen van deze gebiedsplannen.

Blauwe knopen
In het Nationaal Bestuursakkoord Water is afgesproken dat het Rijk in samenwerking met provincies, gemeenten en waterschappen zogenaamde ‘blauwe knopen’ benoemt. Dit zijn de belangrijkste uitwisselingspunten van water (en in het water aanwezige stoffen) tussen hoofd- en regionale watersystemen.alt Blauwe knopen vormen hét ontmoetingspunt waar verschillende belangen met elkaar verbonden en afgewogen worden. De beheerkeuzes en afspraken voor de knooppunten worden dus door de verschillende beheerders en beleidmakers samen gemaakt. Deze afspraken gaan over de hoeveelheid water dat overgedragen mag worden en over welke kwaliteit acceptabel is. Deze afspraken worden vastgelegd in zogenoemde waterakkoorden en/of regionale bestuursakkoorden. Dit is echter niet verplicht.