vandaag2
gisteren159
deze week452
deze maand2859

Momenteel zijn 9 gasten en geen leden online

Deze site wordt u aangeboden door

Logo KH

Landwinning

Landverlies
Na 1250 namen aantal en omvang van de overstromingen flink toe. Tussen 1250 en 1600 zijn er tientallen overstromingen geweest, waaronder ruim 20 grote overstromingsrampen. Zowel in het Zuiderzeegebied als in Zuidwest Nederland ging veel land verloren. Eén van de oorzaken waren de breder wordende zeegaten. Bij storm werd het water daarin opgestuwd. Door de maaivelddaling werd het overstroomde gebied na een dijkdoorbraak aanzienlijk groter. De dieper wordende zeegaten zorgden ook voor dijkval. Veel dijken hebben een zandige ondergrond. Als deze met water verzadigd raakt kunnen trillingen deze onderlaag in een dikke vloeistof veranderen, die zijdelings wegvloeit en de dijk daarboven doet instorten. Soms verdwenen onverwacht tientallen meters dijk. De enige remedie was een inlaagdijk, een tweede dijk achter de eerste.
Ook bestuurlijk falen droeg bij aan het landverlies. Het verloren gaan van de Groote Waard na de Sint-Elisabethvloed in 1421 was hier mede aan te wijten. In het oostelijk deel van Zuid-Beveland liet een corrupt dijkbestuur toe dat bij dijkherstel riet in de dijk werd gestopt. Een ander probleem was de turf- en zoutwinning (moernering en selnering). Omwille van de inkomsten ontstonden te grote veenplassen en werd het voorland van dijken soms tot vlak onder de dijk afgegraven.
Grote stukken land gingen verloren in het noorden van Noord-Holland, in de Dollard in Groningen en bij de Zuidhollandse en Zeeuwse eilanden.

Landaanwinning
In dezelfde periode kwam ook de landaanwinning op gang. Door de getijdenwerking werd klei en zand afgezet langs de waddenkust en op sommige plaatsen in de zuidwestelijke delta. Als de aanwassen hoog genoeg waren opgeslibt werden ze omdijkt. Deze poldertjes waren betrekkelijk klein, omdat de dijk in één zomerseizoen moest worden aangelegd. In het noorden heten deze aanwassen kwelders, in het zuidwesten schorren. Kapitaalkrachtige edelen lieten grotere gebieden bedijken, zoals op Overflakkee. Soms stelde de graaf voorrechten in het vooruitzicht aan bedijkers, zoals bij het herdijken van de Zwijndrechtse Waard. In de 17e en 18e eeuw werden de bedijkingen voortgezet waardoor zowel in zuidwest Nederland als in het noorden stukje bij beetje land werd heroverd op de zee.
Een belangrijke stap vond plaats in 1597, toen na een aantal eerdere pogingen de polder het Zijpe in het noorden van Noord-Holland werd bedijkt. Het belang lag in de grootte van de polder (6500 ha) en in het feit dat hierme een groot gebied werd afgeschermd van stormvloeden. Dit project werd niet door de overheid uitgevoerd, maar door een compagnie, een groep particulieren die gezamenlijk het benodigde kapitaal bijeenbrachten en deelden in de opbrengsten.

Droogmakerijen
Rond 1530 begonnen de bewoners van west-Nederland met de droogmakerijen. Rond een meer of plas werd een ringvaart gegraven. Met de grond uit de vaart werd de dijk tussen de ringvaart en het water aangelegd. Vervolgens werd het water met molens en later met stoomgemalen uitgeslagen. De eerste droogmakerijen waren klein en werden geinitiëerd door rijke edelen, zoals het Achtermeer bij Alkmaar. Na een stilstand in de beginjaren van de 80-jarige oorlog werd in de 17e eeuw het werk aan de droogmakerijen op veel grotere schaal ter hand genomen door compagnieën van samenwerkende kooplieden. De grootste droogmakerij was de Beemster (7100 ha), die in 1612 droogviel. Tussen 1600 en 1650 werden 48 meren drooggelegd met een totale oppervlakte van ruim 26000 ha. Om de droogmakerijen heen werd echter steeds meer turf gestoken waardoor steeds nieuwe plassen en meren ontstonden. De meesten hiervan zijn later als droogmakerij opnieuw ingepolderd.
Voor inpoldering van het grootste meer, het Haarlemmermeer (18000 ha) werden al halverwege de 17e eeuw de eerste plannen gemaakt. Deze stuitten op technische en financieringsproblemen. Bovendien verzetten de steden Haarlem en Leiden zich tegen inpoldering vanwege verlies aan scheepvaartroutes en viswater, en vreesde het Hoogheemraadschap van Rijnland een te grote vermindering van de hoeveelheid boezemwateren. Nadat in 1836 een storm die het water opjoeg tot Amsterdam en Leiden werd besloten de Haarlemmermeer droog te malen. Inpolderen was, door de nieuwe bestuurlijke verhoudingen, inmiddels een regeringszaak geworden. Nieuw was het besluit van de regering om gebruik te maken van stoomkracht. In 1849 is met behulp van drie stoomgemalen gestart met het droogmalen. Drie jaar later was men klaar. In totaal is 831.000.000 m3 water in de ringvaart gepompt. Door fouten bij de detailontwatering, verkaveling en gronduitgifte verliep de landbouwkundige ingebruikname moeizaam. Pas rond 1870 waren alle kinderziektes er zo'n beetje uit.

Water op de zandgronden
Op de hogere delen van ons land heeft water ook sinds mensenheugenis een belangrijke rol gespeeld bij de ontwikkeling en ontginning van het land. Op de woeste gronden was de veenwinning de motor achter een snelle verandering van het landschap - door de afgraving van veenlagen en de aanleg van vaarten en kanalen voor de afvoer van turf. En langs stromende beken werden watermolens gebouwd - niet voor de ontwatering zoals in West-Nederland, maar voor malen van granen en de eerste machinale bewerking waarvoor aandrijving nodig was. De meeste molens stammen uit de Middeleeuwen, maar raakten met de komst van stoommachines en latere verbrandingsmotoren langzaam buiten gebruik. Voor 1850 telde Noord-Brabant bijvoorbeeld nog 50 watermolens, tegenwoordig nog 10.

Voor het waterbeheer waren deze molens ook op een andere manier van belang: door opstuwing ontstond vrijwel altijd een natte situatie stroomopwaarts van de watermolen, op oude kaarten te herkennen aan de term Molenbroek of afgeleide daarvan. Daardoor werd grondwater hoger langs het beekdal naar boven gedwongen, waardoor een nat beekdalcomplex kon ontstaan tot wel zes kilometer bovenstrooms van de molen. Deze natte beekdalen worden tegenwoordig hoog gewaardeerd door de natuurlijke rijkdom (biodiversiteit).

Zuiderzeewerken
Reeds in 1667 pubiceerde Hendric Stevin het eerste plan voor inpoldering van de Waddenzee en Zuiderzee. Dit was technisch noch financieel haalbaar. Door de ontwikkeling van de stoommachine en het beschikbaar komen van kapitaal uit de indische baten veranderde de situatie halverwege de 19e eeuw. Dit leidde tot een grote verscheidenheid aan plannen. De overheid hield zich echter afzijdig. Een groep vooraanstaande burgers richtte in 1886 de Zuiderzeevereniging op. In 1891 publiceerde de Zuiderzeevereniging een plan dat was opgesteld door Cornelis Lely en opviel door de systematische aanpak. Het plan riep een aantal controversen op, onder andere over de gevolgen voor de visserij, maar werd in het algemeen gunstig ontvangen. Toch zou het ruim 25 jaar duren voor het tot uitvoering kwam, onder andere omdat men het project niet als urgent zag. Dat veranderde in 1916, toen bij een watersnood Waterland en de Anna Paulownapolder overstroomden en er bovendien als gevolg van de 1e wereldoorlog problemen ontstonden met de voedselvoorziening. 
Het plan van Ir. Lely om de Afsluitdijk aan te leggen werd uitgevoerd. Noord Holland en Friesland werden op 28 mei 1932 met elkaar te verbonden. In 1930 kwam de Wieringermeerpolder gereed. Tussen 1937 en 1942 werd de Noord-Oostpolder ingepolderd, dit leverde  48.000 ha. vruchtbare grond op. Flevoland werd  tussen 1950 en 1967 ingepolderd en leverde nog eens 97.000 ha. grond op voor landbouw, natuuraanleg, recreatie en stedenbouw. Er was nu wel systematisch aandacht voor het cultuurrijp maken en inrichten van het nieuwe land. Hiervoor werd een aparte overheidsdienst ingesteld, de Rijksdienst IJsselmeerpolders.

In 1990 besloot het kabinet het eerdere besluit tot inpoldering van de Markerwaard in te trekken. De behoefte aan landbouwgrond was sterk gedaald, terwijl men de waarde van een open meer voor recreatie, natuur en landschap hoger was gaan waarderen.

Pompen of verzuipen
De bodem van droogmakerijen, polders en aangewonnen land ligt lager dan de omgeving. Daarom heeft het water uit de wijde omtrek de neiging om daar naar toe te stromen en als kwelwater aan de oppervlakte te komen. Dat toestromende water moet permanent uit het gebied worden gepompt om te voorkomen dat het weer onder water komt te staan. Dankzij de inpoldering en de droogmakerijen ligt 25% van Nederland beneden zeeniveau (met als diepste punt bijna 7 meter!). De bodem van polders en droogmakerijen daalt door de ontwatering, de bodem klinkt in en het veen verteert. Daardoor moet er nog meer water weggepompt worden, waardoor de bodem weer verder daalt...