vandaag104
gisteren186
deze week104
deze maand3392

Momenteel zijn 48 gasten en geen leden online

Deze site wordt u aangeboden door

Logo KH

Landbouw

Water en landbouw zijn vanouds onverbrekelijk met elkaar verbonden. Maar die band is de laatste decennia wel veranderd. stuwWater is natuurlijk onmisbaar voor gewas en dieren. Een goed waterpeil en een goede waterhuishouding horen bij de basisvoorwaarden voor een gezonde landbouw. De landbouw heeft dan ook grote invloed gehad op de waterschapsgeschiedenis, waterschappen werden niet voor niets soms "boerenrepublieken" genoemd.
Maar tegenwoordig speelt een breed scala aan belangen en onderwerpen een rol. Andere sectoren, zoals recreatie, natuur en industriewater hebben aan belang gewonnen. De verschillende sectoren binnen de land- en tuinbouw hebben tegenwoordig heel eigen waterwensen en -problemen. En aan de andere kant brengt het gebruik van water door de landbouw de nodige problemen met zich mee.

Hieronder een overzicht van de belangrijkste onderwerpen die spelen op het gebied van landbouw en water:

Waterkwantiteit
- Droge voeten. De landbouw heeft, net als iedereen, alle belang bij veilige dijken en waterkeringen. Daarbij speelt vaak een ruimteprobleem: voor steviger dijken, overloopgebieden en projecten als Ruimte voor de Rivier is vaak grond nodig die vaak onttrokken wordt aan de landbouw.
- Peilbeheer. Landbouw vraagt een op de functie afgestemd waterpeil. Voor de meeste gewassen is een relatief laag peil gewenst. Voor grasland op kleigronden is bijvoorbeeld de hoogst toelaatbare grondwaterstand in het voorjaar 40-50 cm onder maaiveld, voor bouwland 60-75 cm onder maaiveld. Voor elke combinatie van gewas en grondsoort zijn er zo normen bepaald. Een voldoende laag peil is ook van belang omdat het land daardoor beter toegankelijk is met trekkers en landbouwmachines. Dat lage waterpeil is vaak schadelijk voor de natuur en soms ook voor andere functies. Het vaststellen van het peil is een taak van het waterschap, dat daarbij de verschillende belangen moet afwegen. Vroeger werd het peil in de regel aangepast aan het (landbouwkundig) gebruik van de grond: "peil volgt functie". Dit principe staat in veel gebieden ter discussie, waarbij de wens is het principe om te draaien: "functie volgt peil". Daarbij bepaalt het bestaande waterpeil welk gebruik of welk gewas in het gebied mogelijk is.
Deze discussie is in het bijzonder in het veenweidegebied actueel, omdat verlagen van het peil leidt tot oxidatie van het veen en daardoor tot daling van het maaiveld. In sommige gebieden, zoal de Krimpenerwaard, zijn Veenweidepacten gesloten die -onder andere- afspraken bevatten over het waterpeil.alt
- Wateroverlast door hoge waterstanden of door hevige regenval kan aanzienlijke schade aan landbouwgewassen veroorzaken, vooral als dat in het groei- of oogstseizoen voorkomt. Ook in glastuinbouwgebieden kan de schade groot zijn, zoals in het Westland in 2001 en 2004. In het verleden was het standaard-antwoord op wateroverlast het zo snel mogelijk afvoeren van water, bijvoorbeeld door de aanleg van nieuwe sloten, rechttrekken van waterlopen en verhogen van de capaciteit van gemalen. Dit heeft echter ook nadelen, zoals gevoeligheid voor verdroging, aantasting van natuur- en landschapswaarden en soms ook verplaatsing van de wateroverlast naar andere plaatsen. De te verwachten klimaatverandering geeft hieraan een extra dimensie, doordat er meer perioden met extreme weerpatronen worden verwacht, zowel extreme regenval als grote droogte. Daarom wordt tegenwoordig de trits: vasthouden-bergen-afvoeren als beleidslijn gehanteerd. Vasthouden en bergen van water vragen echter ruimte, die vaak ten koste gaat van het areaal landbouwgrond. De landbouwsector staat daarom terughoudend ten opzichte van oplossingen die veel ruimte vragen. Op verschillende plaatsen zijn interessante oplossingen gevonden, zoals een schadevergoedingsregeling in Twente en waterberging onder kassen in het Westland.
Zie voor meer informatie o.a. het rapport "Bergen met beleid".
- Verdroging is een toenemend probleem, zowel voor de landbouw zelf als voor natuur en andere functies. In droge perioden maken vooral akkerbouw en tuinbouw gebruik van beregening, waarvoor de (beperkte) voorraad grondwater wordt aangesproken. In zeer droge perioden heeft de overheid in sommige gebieden beperkingen opgelegd aan beregening. Verdroging wordt veroorzaakt door ontwatering en versnelde afwatering voor de landbouw, grondwateronttrekkingen voor drink- en industriewater en beregening en in beperkte mate door de toename van verhard opervlak en zandwinning. De klimaatverandering zal leiden tot een sterke toename van de verdrogingsproblemen. Zomers worden warmer en droger en de rivieren zullen minder smeltwater gaan aanvoeren.
Het accent bij het bestrijden van verdroging ligt op herstel van verdroogde natuurgebieden (onder andere TOP- en Natura 2000-gebieden), vernatting van natuurgebieden heeft echter vaak gevolgen voor omliggende landbouwgebieden. In toenemende mate zal verdroging ook voor de landbouw zelf een probleem worden. Zie ook: www.verdroging.nl.
- Zoetwatervoorziening: Een stijgende zeespiegel, afnemende rivierafvoeren in de zomer, langduriger droogteperioden en indringend zout water via de rivieren zetten de zoetwatervoorziening onder druk. Ook verzilting door toenemende kwel plaatst de landbouw voor steeds meer problemen. In de Zuidwestelijke Delta vraagt de bestrijding van blauwalg en de natuurontwikkeling om het zilter maken van een aantal grote wateren, zoals het Volkerak-Zoommeer. Verzilting veroorzaakt schade aan de landbouw door lagere opbrengsten. De vraag is waar en op welke manier deze schadelijke gevolgen worden opgevangen. Gebruik van het IJsselmeer voor zoetwatervoorziening, zoals de Deltacommissie voorstelt, is een belangrijke maatregel, maar dit zal niet voldoende zijn.
Zie ook: www.zoetwatervoorziening.nl en www.deltacommissie.com

alt
Waterkwaliteit
- Meststoffen en mineralen: Het gebruik van meststoffen, zowel dierlijke mest als kunstmest, heeft geleid tot grote overschotten aan stikstof en fosfor in bodem en water. Deze vermesting veroorzaakt algenbloei en beperkt de biodiversiteit, doordat snelgroeiende soorten gaan domineren. In de helft tot driekwart van de regionale wateren ligt de hoeveelheid stiktof en/of fosfor boven de normen van de Kaderrichtlijn Water. Voor het zoete water is fosfor het bepalende nutriënt voor algenbloei terwijl voor de zoute wateren stikstof bepalend is.
De mestgift uit de landbouw is de afgelopen decennia flink afgenomen: In 2006 was het stikstofoverschot bijna 45 procent lager dan in 1986, en het fosforoverschot zo'n 55 procent lager. De daling van de overschotten is onder andere veroorzaakt door de afname van het aantal runderenen het invoeren van gebruiksnormen en -voorschriften voor mest, een stelsel van dierrechten en regels voor de afvoer van mest (zie ministerie LNV). Ook zijn de nutriëntengehalten in krachtvoer lager en is het gebruik van stikstofmeststoffen aanzienlijk verminderd na 1986. Ondanks geleverde inspanningen blijven de het gehalte nitraat en fosfor in water en bodem op veel plaatsten nog steeds te hoog. De Nitraatrichtlijn (91/676/ EEG) bevat afspraken over de toegestane concentratie nitraat in het grond- en oppervlaktewater. De richtlijn verplicht lidstaten maatregelen te nemen als deze te hoog zijn. Dit gebeurt in Nitraatactieprogramma's, in Nederland is voor de periode 2009-2013 het 4e nitraatactieprogramma van kracht. Dit programma scherpt onder andere voor een aantal gewassen de gebruiksnorm aan, beperkt de uitrijperioden van mest en stimuleert innovatie. Dit zogeheten generieke mestbeleid is een van de randvoorwaarden voor verbeteren van de waterkwaliteit en het bereiken van de doelen van de KRW.
- Gewasbeschermingsmiddelen. Deze middelen (ook wel bestrijdingsmiddelen genoemd) worden in de land- en tuinbouw gebruikt om ziekten en plagen te bestrijden. Zonder deze middelen zou de agrarische productie aanzienlijk lager zijn. De middelen kunnen echter op een groot aantal manieren in het grond- en oppervlaktewater komen en daar schade veroorzaken voor dieren en planten. Op veel plaatsen is de concentratie schadelijke stoffen in het water te hoog. Bestrijdingsmiddelen mogen alleen worden gebruikt als ze zijn toegelaten door het College voor de Toelating van Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden, het CTGB. Die houdt bij toelating onder meer rekening met de Europese regels, zoals de richtlijn 91/414/EEG en het Europese beleid voor toelating van biociden, Richtlijn 98/8/EG. Hierdoor zal de komende jaren een groot aantal bestrijdingsmiddelen van de Europese markt gaan verdwijnen, voor een deel worden deze vervangen door middelen die minder schadelijk zijn voor het milieu. Een belangrijk instrument vormen de vergunningen die waterbeheerders verlenen op grond van de Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren (WVO). Het Lozingenbesluit open teelt en veehouderijen geeft regels voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de meeste agrarische sectoren. Daarbij gaat het onder andere om het beperken van drift (verwaaien van middelen), het gebruik van speciale spuitdoppen langs perceelsranden (de eerste 14 meter naast een sloot zijn kantdoppen verplicht) en de deskundigheid van de gebruiker (spuitlicenties). Voor de glastuinbouw geldt het "Besluit Glastuinbouw", dat de regels uit de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en de Wet milieubeheer integreert. Tuinders moeten ook registreren hoeveel meststoffen, bestrijdingsmiddelen en energie ze gebruiken. Zie voor glastuinbouw en milieu www.glami.nl.
Overigens zijn ook overheden, met name gemeenten, een flinke gebruiker van bestrijdingsmiddelen, met name om het onkruid op verharde oppervlakken zoals trottoirs te bestrijden.
- Andere stoffen: In sommige agrarische sectoren is de uitspoeling van zware metalen een aandachtspunt, bijvoorbeeld van zink uit regenwatergoten in de glastuinbouw.
- Ecologie: Sinds de 2e wereldoorlog is veel aandacht besteed aan verbetering van de waterbeheersing in landbouwgebieden, onder andere via ruilverkavelingen. Via drainage moest het water snel en efficiënt door nieuwe sloten en weteringen worden afgevoerd. Bochtige waterlopen werden rechtgetrokken en polderpeilen verlaagd. Dat had grote gevolgen voor de natuur in en langs het water. De laatste decennia proberen waterbeheerders en natuurorganisaties waterlopen weer op veel plaatsen in een meer naturlijke staat te brengen, bijvoorbeeld door de aanleg van meanderende beken en natuurvriendelijke oevers. Voor de landbouw blijft het van het grootste be;ang dat waterafvoer en -aanvoer goed geregeld blijven (geen wateroverlast of droogte). Daarnaast vraagt verbeteren van de ecologische kwaliteit ruimte in landbouwgebieden en legt het soms beperkingen op aan de agrarische bedrijfsvoering (bijvoorbeeld mestvrije zones).

Buitenland

In de meeste landen van de Europese Unie wordt droogte als gevolg van klimaatverandering als een ernstiger probleem gezien dan de zeespiegelstijging. Het is de vraag of bepaalde, veel water vragende gewassen ind e toekomst nog in alle gebieden kunnen worden geteeld. Dit speelt met name in gebieden met irrigatielandbouw, onder andere in Zuid-Europa.
Op mondiaal niveau is 70% van de totale water consumptie voor de irrigatie van landbouwgronden. In ontwikkelingslanden kan dit percentage zelfs oplopen tot 95. Irrigatiewater kan zelf verontreinigd zijn, maar een teveel aan irrigatiewater kan ook extra verontreinigend werken. Een teveel aan water zal niet volledig door de planten opgenomen worden. Het overschot stroomt langs het oppervlak af of infiltreert in de bodem (percolatie). Dit zorgt voor oplossing van natuurlijk zouten in het water en voor extra nutri ënten afkomstig van bemesting en (chemische) bestrijdingsmiddelen. Vervolgens wordt dit water met de opgeloste stoffen afgevoerd via een drainagesysteem naar oppervlaktewateren.