Blanken

1755-1838 Jan Blanken

De waterstaatkundige Blanken speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling van wat tegenwoordig Rijkswaterstaat heet.

Hij was de zoon van de officiële timmerman van de Krimpenerwaard en kwam zo al vroeg in aanraking met waterstaatszaken. Na een militaire carriére bij de artillerie werd hij in 1798 lid van de commissie voor Superintendentie van de Zeedijken. Na verschillende functies als inspecteur werd hij in 1808 inspecteur-generaal van Rijkswaterstaat, een functie die hij ondanks politieke wisselingen tot 1826 bleef bekleden.

Zijn grootste bekendheid kreeg Blanken door het aanleggen van kanalen onder Willem I: het Noordhollandse-, het Zederik- en het Steenenhoekkanaal. Als hoogtepunt in zijn carrière geldt de aanleg van het Noordhollandse Kanaal tussen Amsterdam en Den Helder. Toen het Noordhollandse Kanaal in 1824 werd opengesteld, was dat het grootste scheepvaartkanaal ter wereld. Om het kanaal te kunnen oversteken ontwierp Blanken de vlotbrug, een drijvende brug met twee kleppen. Ook legde hij in 1809 de Diefdijk aan en is onder zijn supervisie de sluis bij Vreeswijk gebouwd.

Blanken was een vernieuwer op technisch vlak. Hij was de eerste die in Nederland een stoommachine inzette voor waterstaatswerken, bij de bouw van het droogdok in Helevoetsluis in 1798. In 1808 ontwierp hij een nieuw type sluisdeur, de waaiersluis. Verder verscheen een groot aantal waterstaatkundige publicaties van zijn hand.

Het einde van Blankens' carriére kwam overwacht. In 1825 weigerde Blanken, ondanks een order van de koning, bij een watersnood in Noord- Holland de sluizen bij Den Helder open te zetten uit vrees voor schade aan de kunstwerken. Dit was aanleiding voor koning Willem 1 om aan te dringen op zijn pensionering.