Grote rivieren

De grote rivieren hebben in belangrijke mate het landschap en het waterbeheer in Nederland bepaald. De rivieren stroomden al in de oudheid ongeveer op de plaats waar ze nu nog liggen, met een paar belangrijke verschillen.
De Nederrijn voerde haar water af via de Oude Rijn naar Katwijk, via de Vecht en de IJssel naar het Almere, en via de Lek en de Hollandse IJssel naar de Maasmond, ongeveer ter plaatse van de huidige Maasvlakte. Deze Rijntakken voerden in de zomer maar weinig water, vooral de Oude Rijn was al vroeg flink verzand.
De Waal stroomde rechtstreeks naar de Maasmond, ongeveer volgens de route waar hij ook nu nog stroomt.
De hoofdtak van de Maas kwam bij Gorinchem in de Waal uit, daarnaast waren er een paar kleinere takken. Bij Heerewaarden/ Sint Andries lagen Maas en Waal vlak naast elkaar en stroomden regelmatig in elkaar over.
De Schelde stroomde bij de huidige Oosterschelde in zee, een zijtak, de Striene, leidde naar de Maasmond.

Eerste ingrepen
Vanaf 800 vonden er in toenemende mate ontginningen plaats in het rivierengebied. Om landbouwgronden en dorpen te beschermen werden kaden aangelegd. Omdat de rivierafvoer steeds onregelmatiger werd, ging men de kaden verhogen en aaneensluiten. Zo ontstond rond 1250 een aaneengesloten stelsel van rivierdijken. Om het land beter te beschermen en de waterafvoer te vergemakkelijken begon men de kleinere riviertakken bovenstrooms af te dammen. Een belangrijke ingreep was de afdamming van de Oude Rijn bij Wijk bij Duurstede. Om de scheepvaart naar Utrecht te behouden werd in dezelfde tijd de Vaartse Rijn gegraven. Ook andere riviertjes, zoals de Hollandse IJssel, de Linge en de Alm werden bovenstrooms afgedamd.
Overstromingen kwamen regelmatig voor en het onderhoud van de dijken vroeg voortdurend aandacht. Omdat het oostelijke deel van het rivierengebied hoger ligt dan het westelijke deel, kregen de dijken in Gelderland vaak minder aandacht dan de dijken benedenstrooms. Bij een dijkdoorbraak in Gelderland stroomde het water toch wel weg naar het westen. Mede daarom werden dwarsdijken aangelegd, zoals de Diefdijk tussen Gorinchem en Culemborg. Tot na de gouden eeuw kwam het voor dat boze Gelderse boeren zo'n dwarsdijk probeerden door te steken en dat die dijk door soldaten moest worden beschermd.

Waal en Rijn
In de loop van de tijd ging de Waal steeds meer en de Rijn steeds minder water afvoeren. In de 17e eeuw voerde de Waal meer dan 90% van het water af. Er werden plannen gemaakt om de waterverdeling te veranderen, maar het duurde ettelijke decennia voordat de plannen tot uitvoering kwamen. De Waalsteden zoals Nijmegen, Gorinchem en Dordrecht zagen niets in de plannen omdat betere scheepvaart over de Rijn concurrenten als Arnhem en Rotterdam zouden bevoordelen. Mede om militaire redenen werd in 1707 uiteindelijk toch het Pannerdens Kanaal gegraven. In diezelfde tijd werd, min of meer op gevoel, de waterverdeling tussen Rijn en Waal bepaald op respectievelijk 1/3 en 2/3. Die verdeling geldt tegenwoordig nog steeds als vuistregel.

Systematische rivierverbetering
Begin 19e eeuw waren de rivieren in slechte staat. De beddingen lagen vol zandplaten, ondiepten en allerlei obstakels. In de zomer stond het water vaak zo laag dat scheepvaart niet mogelijk was. De dijken lagen op sommige plaatsen te dichtbij elkaar zodat bij hoogwater het water werd opgestuwd. Bij Gorinchem kwamen Maas en Waal bij elkaar, waardoor opstuwing ontstond en dijken bovenstrooms konden doorbreken. Verder leverden kruiend ijs en het ontstaan van ijsdammen grote risico's op dijkdoorbraken. Na de grote overstromingen van 1809 en 1820 stelde de regering een commissie in die met oplossingen moest komen. Door gebrek aan geld gebeurde er echter weinig. Wel werd het rivierengebied systematisch in kaart gebracht. Dat was een belangrijke bouwsteen voor latere plannen. In 1849 werd een systematisch plan gemaakt voor de verbetering van het hele rivierengebied, een plan voor de lange termijn. De uitvoering zou doorgaan tot na 1900.
In de 2e helft van de 19e eeuw werden de Nieuwe Merwede van Gorinchem naar het Hollands Diep aangelegd en de Bergsche Maas van Heusden naar Drimmelen. De rivierafvoer bij hoog water werd daardoor veel beter geregeld. Door de aanleg van kribben, bochtafsnijdingen en baggerwerk werden de rivieren genormaliseerd.  Dat verminderde de kans op overstromingen en zorgde voor een goede scheepvaartroute op de grote rivieren.

Projecten na 1945
Na 1945 zijn Rijn en Lek verder gekanaliseerd, onder andere door de bouw van 3 stuwen bij Driel, Ameronden en Hagestein. Doel hiervan was verbetering van de scheepvaartroute, vergroten van de hoeveelheid zoet water in de IJssel en het IJsselmeer en het tegengaan van verzilting.
In de jaren '90 is het Waalproject uitgevoerd, met als hoofddoel het verbreden en verdiepen van de vaargeul in de Waal ten behoeve van de scheepvaart. Naast baggerwerkzaamheden zijn hier innovatieve technieken gebruikt als bodemkribben.